Beebe op expeditie in Brits Guiana, 1917

William Beebe op expeditie in Brits Guiana, 1917

Door Anne Troelstra

De Amerikaanse bioloog Charles William Beebe (1877–1962) werd door zijn ouders gestimuleerd in zijn vroeg ontwakende liefde voor de natuur. In 1896 begon hij aan de Columbia Universiteit in New York biologie te studeren, maar verliet de universiteit al in 1899, zonder graad, al had hij alle examens gedaan behalve in wiskunde. Hij accepteerde een baan als assistent-curator voor de vogels aan de splinternieuwe Bronx-dierentuin.

William Beebe ontwikkelde zich tot een veelzijdig veldbioloog: aanvankelijk was hij vooral ornitholoog, later ook tropisch ecoloog, etholoog en marien bioloog. Hij beschikte over een uitzonderlijk schrijftalent. Bij zijn publicaties zijn de zuiver wetenschappelijke artikelen in de minderheid, veruit de meeste richten zich op een breder publiek en doen op aansprekende wijze verslag van zijn wetenschappelijke avonturen. In 1907 werd zelfs een tijdschrift opgericht, Zoologica, uitgegeven door de New York Zoological Society, dat vooral diende om de vele artikelen van Beebe te kunnen plaatsen. In 1908 werd hij bij de dierentuin bevorderd in rang en gelijkgesteld aan de wetenschappers van het New York Museum of Natural History; hij verkreeg het recht elk jaar gedurende twee maanden op expeditie te gaan.

Beebe, A monograph of the pheasants, deel I, plaat IX: saterhoenderhaantjes (Tragopan) door Henrik Grönvold

A monograph of the pheasants, I, plaat IX: saterhoenderhaantjes (Tragopan) door Henrik Grönvold

Beebe werd een bekende figuur in de ‘betere kringen’ van New York. Rond 1908 raakte hij bevriend met Theodore Roosevelt, president van de Verenigde Staten in 1901–1909, een vriendschap die standhield tot Roosevelts dood in 1919. Roosevelt was een groot bewonderaar van Beebe als auteur.

Beebe maakte in zijn leven talloze expedities; al in 1899 nam hij deel aan een kleine expeditie naar Nova Scotia. Zijn meest prestigieuze expeditie werd zijn grote ‘fazanten-expeditie’, gesponsord door de zakenman en filantroop Anthony R. Kuser. De expeditie vond plaats in 1910–1911 en duurde 17 maanden. Beebe ging op reis met zijn vrouw en de schilder Robert Bruce Horsfall (die de expeditie overigens voortijdig verliet) en bezocht Sri Lanka, de Himalaya, Singapore, Sarawak, Sumatra, Java en Madura, Burma, China en Japan. Overal zocht hij de leden van de fazantenfamilie (Phasanidae) op in hun natuurlijke omgeving.

De resultaten verschenen in het grandioos uitgevoerde, vierdelige A monograph of the pheasants (1918–1922), met schitterende, door Beebe gemaakte landschapsfoto’s in heliogravure en kleurenplaten door verschillende kunstenaars voor elke soort van de fazantenfamilie. Alleen al de afmetingen zijn indrukwekkend: de delen zijn 41 cm hoog. Het manuscript was klaar in 1914, maar vanwege de Eerste Wereldoorlog werd de publicatie uitgesteld. Theodore Roosevelt zag nog voor zijn dood het eerste deel en was laaiend enthousiast. Hoewel het om een wetenschappelijke monografie ging die in een beperkte oplage van 600 exemplaren verscheen, schrijft Beebe zeer persoonlijk over zijn eigen belevenissen tijdens de expeditie alsof hij zich tot een veel breder publiek wilde richten. In 1926 verscheen nog een bekorte, veel minder luxueuze versie in twee delen: Pheasants: their lives and homes.

Beebe, A monograph of the pheasants, Plate XLV: de Koklasfazant (Pucrasia macrolopha) door George Edward Lodge

A monograph of the pheasants, I, plaat XLV: de Koklasfazant (Pucrasia macrolopha) door George Edward Lodge

De expeditie was wetenschappelijk gezien succesvol, maar gaf waarschijnlijk de genadeslag aan Beebe’s huwelijk met Mary Rice Blair, met wie hij in 1902 getrouwd was. Mary liet zich in 1913 van hem scheiden en hertrouwde niet lang daarna. Zij had Beebe op veel van zijn expedities begeleid, maar het huwelijk was zeker niet vrij van spanningen geweest. Beebe kon de scheiding maar moeilijk verwerken.

Hoewel Beebe veel persoonlijke ervaringen in zijn monografie had beschreven, was hij nog niet tevreden; hij wilde op nog een andere manier iets van zijn reiservaringen overbrengen, ‘het gevoel’, zonder overbelasting met wetenschappelijke waarnemingen. Daarom publiceerde hij in 1927 Pheasant jungles. Het boek neemt een aparte plaats in zijn werk in: hier komt niet de wetenschappelijke waarneming op de eerste plaats, maar de reisbeleving.

Beebe had tijdens zijn leven vaak gezegd dat hij niet wilde dat iemand zijn biografie zou schrijven en hij liet ook geen autobiografie na. Toch zijn er nu twee biografieën, die van Rober Welker, Natural man uit 1974, en de biografie van Carol Gould, The remarkable life of William Beebe uit 2004.  Welker had blijkbaar geen toegang tot Beebe’s  persoonlijke papieren en concentreert zich op een gedetailleerde analyse van zijn boeken. Gould weet veel meer te vertellen over Beebe’s sociale omgeving, maar analyseert niet zijn werk. Daarom vullen beide biografieën elkaar aan.

Welker, die Beebe aanvankelijk onvoorwaardelijk bewonderde, leerde tijdens het schrijven ook negatieve kanten van diens  karakter kennen – dat werd zo erg dat hij een tijdlang dacht niet verder te kunnen met zijn biografie. Hij kon Beebe’s ‘aanpassingen van de waarheid’ moeilijk accepteren, zo blijkt uit zijn voorwoord. In het bijzonder had hij het moeilijk met Pheasant jungles; hij beschouwt het als fictie, als een roman – en als zodanig wel geslaagd.

Schutblad van de Blue Ribbon-uitgave van Pheasant jungles

Dek- en schutblad van de Blue Ribbon-uitgave van Pheasant jungles

In Pheasant jungles slaagt Beebe erin de aanwezigheid van zijn vrouw, die hem op de hele expeditie had begeleid, totaal te verzwijgen. Welker merkt op dat vele passages in Pheasant jungles een parallel hebben in de grote monografie, maar de details zijn vaak anders, op bepaalde punten spreken beide versies elkaar zelfs tegen. Zo eindigt een jacht op groene pauwen in de monografie zonder resultaat, maar in Pheasant jungles gaat Beebe met een mooi exemplaar terug naar het kamp. De gevaren van een bepaalde expeditie in een streek waar de bevolking opstandig is worden in de monografie beschreven als onbeduidend; in Pheasant jungles proberen onbekenden tot twee keer toe de auteur te verpletteren onder een opzettelijk veroorzaakte rotslawine en worden op drie opeenvolgende nachten vergiftigde pijlen op de tent afgeschoten. Deze en andere wijzigingen in Pheasant jungles ten opzichte van de monografie hebben als doel de expedities dramatischer en succesvoller voor te stellen dan ze in feite waren.

Beebe ging met pensioen in 1952, maar bleef actief tot zijn dood. In 1927 had hij een veel jongere vrouw getrouwd, de romanschrijfster Elswyth Thane (1900–1984), die het verblijf in de tropen niet bleek te kunnen verdragen zodat ze grotendeels gescheiden levens leidden in een open huwelijk.

 

Anne S. Troelstra was van 1970 tot 2000 hoogleraar zuivere wiskunde en grondslagen van de wiskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Na zijn emeritaat in 2000 begon hij met de bestudering van natuurhistorische reisverhalen. Sinds 2003 is hij gastmedewerker bij de Artis Bibliotheek.