Het is opvallend hoe kleur de wereld op een foto dichterbij brengt. Zwartwit-foto’s kunnen esthetisch verantwoord zijn en een krachtige boodschap overbrengen, maar zodra er kleur wordt toegevoegd wordt het beeld herkenbaar, gaat het behoren tot onze leefwereld. Het heeft echter lang geduurd voordat de kleurenfotografie de zwart-witfotografie kon overvleugelen.

De vroegste kleurenfotografie, uit het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, maakte gebruik van arbeidsintensieve technieken en het maken van afdrukken van de originele opnames was zeer complex. Om die reden bleef de handmatige inkleuring nog lang de meest populaire manier om foto’s, diapositieven (lantaarnplaatjes en dia’s) en filmbeelden kleur te geven.

Kerk van de Aartsengel Michaël te Warschau.

Reconstructie van de tempel te Karnak, Egypte.

Handinkleuring stond in een traditie; al eeuwenlang werden prenten met de hand ingekleurd, vooral prenten met afbeeldingen van planten en dieren en van vreemde culturen. Voor fotografisch materiaal werden wel vaak andere kleurstoffen gebruikt, met name gebaseerd op aniline, een synthetische kleurstof waarvan de eerste, paarse variant werd ontdekt in 1856. Hierop volgde een hele waaier van andere, vaak felle kleuren. De anilinekleurstoffen zijn zeer kleurecht en schitteren ons na al die tijd nog steeds tegemoet.

Voor transparanten, zoals lantaarnplaatjes en film, waarbij handmatige inkleuring van elk beeldje erg tijdrovend was, werden ook andere technieken gebruikt, zoals tinting en toning. Bij tinting krijgt de hele film een kleurbad. De kleur moest vooral sfeer scheppen, blauw diende bijvoorbeeld als achtergrond voor een nachtscène en geel voor een zonnige dag. Bij toning wordt het beeld (dat wil zeggen de zilverdeeltjes in de filmemulsie) met chemicaliën van kleur veranderd. Verschillende chemicaliën leiden tot verschillende kleuren. Combinaties van handinkleuring, tinting en toning komen ook voor.

Delfts blauw uit het Rijksmuseum.

Polychrome vaas, vermoedelijk van de fabriek van Hoppesteyn te Delft.

In de loop der jaren ben ik in de collecties van de Universiteit van Amsterdam aardig wat kleurendia’s tegengekomen, van de eerste, echte lantaarnplaatjes uit circa 1900 tot glasdia’s van de grotere leveranciers uit de jaren ’20 en ’30 van de twintigste eeuw. De oude lantaarnplaatjes zijn vaak wat grof en weinig realistisch ingekleurd; het gaat om een impressie. Maar aan de latere beelden is veel moeite besteed.

Eén beeld stelde mij lang voor raadsels; de opname van Delfts blauwe vazen uit het Rijksmuseum, uit de collectie van het Kunsthistorisch Instituut. De eerste indruk is dat het hier om een kleurendia gaat, de vazen zijn zeer realistisch kobaltblauw gedecoreerd, maar de achtergrond is kleurloos. Het moet hier gaan om toning, waarbij met een penseel, handmatig, het beeld van de vazen met een chemische stof is bewerkt. Die stof is een reactie aangegaan met de emulsie, leidend tot een realistische, Delfts blauwe kleur. Als je het beeld sterk uitvergroot, zie je dat de schilder niet altijd binnen de lijntjes is gebleven.

 

Wondklaver (Anthylles vulneraria), W. Heller.

Larix en Alpenden op de Alp la Schera. W. Heller.

Dit geldt ook voor de met de hand ingekleurde dia’s van alpenflora van de Zwitserse fotograaf  W. Heller uit de jaren ‘20, onlangs gevonden bij het IBED. Je weet dat ze met de hand ingekleurd moeten zijn, maar je moet de opnames wel erg vergroten om daar bewijs voor te vinden. Wonderbaarlijke precisie.