Tot 2 april is ‘ie nog te bewonderen, de Crossroads tentoonstelling. De tentoonstelling is onderdeel van het CEMEC project, en dat betekent dat er ook allerlei onderzoek gaande is om te ontdekken wat de bezoekers nou van deze tentoonstelling vinden. De tentoonstelling zal na april namelijk verder reizen naar onder andere Athene en Bonn,  en de resultaten van dit publieksonderzoek zullen deze vervolg-tentoonstellingen mogelijk beïnvloeden. De tentoonstelling staat nog even, maar toch kan ik alvast iets van de eerste resultaten met jullie delen – ik hoop dat jullie het interessant vinden!

In de onderstaande afbeelding zien jullie de verschillende methoden die ik heb gebruikt om deze tentoonstelling te evalueren. Helemaal onderin de pyramide zien we de basis: een simpele, kwantitatieve laag – hier vinden we vooral véél informatie, maar niet per sé heel gedetailleerd. Die details vinden we in de bovenste lagen (de observaties en de interviews) – deze methoden zijn meer kwalitatief, en geven ons dus wat meer diepgaande informatie, maar wel over minder mensen. De combinatie van deze verschillende methoden zorgt ervoor dat we een goed beeld krijgen van wat mensen van de Crossroads tentoonstelling vinden.

Algemene tevredenheid

Laten we heel basic beginnen, een vraag over algemene tevredenheid: wat vindt de bezoeker van de Crossroads tentoonstelling?

 

Zoals je op deze afbeelding ziet (gebaseerd op meer dan 2000 antwoorden), is de bezoeker over het algemeen erg tevreden. De meeste deelnemers vinden de tentoonstelling ‘goed’ tot ‘zeer goed’. We vroegen ook naar een cijfer, en daar kwam een gemiddelde van 7,6 uit – afgerond dus een 8!

Omdat we ook wilden begrijpen waarom mensen dit vinden, hebben we vragenlijsten uitgedeeld, waarin we dieper ingaan op de tevredenheidscijfers. In het algemeen zijn mensen vooral tevreden over de objecten in de tentoonstelling, met name de sieraden en het textiel (zoals de kinderkleding). Daarnaast vinden mensen het ontwerp van de tentoonstelling ook erg mooi, de kleuren en het licht. In de eerste zaal van de tentoonstelling is er een vloerprojectie te zien met een kaart van Europa waarop de migraties van verschillende volkeren worden geprojecteerd. Dit was een favoriet onder de bezoekers! Mensen schreven: “Ik vond de eerste projectie met de migraties fascinerend, goed gedaan!”. Ook noemden ze de projectie “heel erg interessant”, “erg illustratief” en “heel erg verhelderend”.

Natuurlijk was niet iedereen tevreden over alles. Sommige bezoekers vonden bijvoorbeeld dat de tekstbordjes erg moeilijk te lezen waren, en bepaalde stukken van de tentoonstelling vonden ze erg donker, waardoor niet alles goed zichtbaar was. Ook vonden de deelnemers de projecties van de reizigers op de vloer niet allemaal heel goed – ze vonden het jammer dat er weinig informatie beschikbaar was, waardoor ze verward raakten. Dit zijn zeker elementen waar het CEMEC project mee aan de slag gaat voor de volgende tentoonstellingen!

De Cross Culture Timeline

Misschien weten jullie het nog – maar eerder schreef ik al over de Cross Culture Timeline, een digitale applicatie die binnen het CEMEC project wordt ontwikkeld voor in de tentoonstellingen. In de afgelopen jaren werd deze applicatie binnen het museum uitgetest, en ook in deze tentoonstelling heb ik weer goed naar de CCT gekeken. Ik deel deze resultaten graag met jullie, want ik vind dat ze een interessante casus vormen.

We beginnen opnieuw met de basis, hoe beoordeelden de mensen de CCT? Onderstaande grafiek is op basis van meer dan 2000 antwoorden:

 

Deze grafiek ziet er wel heel anders uit dan de eerdere grafiek, met de beoordelingen van de gehele tentoonstelling! Hier zien we dat er bijna even veel mensen zijn die de CCT als “heel goed” beoordelen, als dat er deelnemers zijn die de CCT “heel slecht” vinden. Dat is interessant! Hoe kunnen we deze, bijna schizofrene, grafiek verklaren?

Om dieper op deze stof in te gaan wil ik graag een concept gebruiken vanuit de museum evaluatie literatuur – ondertussen is het misschien al wat verouderd, maar ik denk dat het nog steeds relevant kan zijn. Het gaat om attraction power (aantrekkingskracht) en holding power (vasthoud-kracht), je kunt er hier meer over lezen. Attraction power, in het museum, gaat over hoeveel mensen er stilstaan bij een bepaald element in de tentoonstelling. Bezoekers besluiten om stil te staan op basis van hoeveel tijd en energie het ze gaat kosten, en wat ze daar voor terug krijgen. Holding power gaat over hoe lang mensen dat element dan gaan ‘gebruiken’ als ze gestopt zijn (een object bekijken, bijvoorbeeld).

Laten we de CCT eens bekijken vanuit dit perspectief. Allereerst: attraction power. We vroegen meer dan 2000 mensen of ze gebruik hebben gemaakt van de CCT.

 

 

Je kunt uit de grafiek aflezen dat ongeveer 60% van de mensen gebruik heeft gemaakt van de CCT – om even te vergelijken, 85% van de mensen maakten gebruik van de introductiefilm – dus dan is dit aantal behoorlijk wat lager. Waarom zou dat zo zijn? In de vragenlijsten vond ik wat mogelijke redenen. Allereerst: de CCT is helemaal aan het eind van de tentoonstelling geplaatst. Ik weet niet of je wel eens gehoord hebt van het fenomeen ‘museum fatigue’, maar dat is er wat er gebeurt als je érg lang in een tentoonstelling bent: mensen zijn moe, ze hebben al veel gezien, en dan nóg iets.. dat is misschien net even te veel! En nog veel erger: je kunt de uitgang al zien als je de zaal van de CCT binnenkomt. Onderzoek heeft aangetoond dat, zodra museumbezoekers de uitgang zien, ze eigenlijk onvermijdelijk daar naartoe zweven.. (Over dit fenomeen, ‘exit gradient’, kun je meer lezen in dit boek van Stephen Bitgood).  Een andere reden waarom mensen minder gebruik maken van de CCT is omdat de applicatie ook vaak al in gebruik was, en omdat het eigenlijk vaak te druk was. Maar de belangrijkste reden waarom mensen op dit moment geen, of heel kort, gebruik maken van de CCT is de ‘user interface’, de manier waarop de applicatie werkt. Op dit moment is de interface behoorlijk complex – bepaalde simpele dingen, zoals elementen aanklikken en ‘swipen’, werken helemaal niet goed – de manier waarop de applicatie werkt is te ingewikkeld voor bezoekers om zo 1-2-3 te begrijpen. Dat betekent dat, als bezoekers wel een poging doen, ze vaak erg snel en erg gefrustreerd opgeven, omdat de applicatie eigenlijk niet goed werkt.

Dus als we naar de attraction power van de CCT kijken kunnen we zeggen dat die eigenlijk behoorlijk slecht is 😉 Maar, en hier komt het interessante gedeelte, als we naar de holding power kijken – dan is die eigenlijk best heel goed! Als de bezoekers gebruik maken van de CCT doen ze dat gemiddeld zo’n 3,4 minuten – en dat is behoorlijk wat, als je het vergelijkt met de tijd die bezoekers gemiddeld in de tentoonstelling spenderen (ongeveer 30-60 minuten). Dus ook al is de CCT helemaal aan het einde, met de uitgang heel dichtbij, en werkt de interface erg slecht – toch spenderen bezoekers behoorlijk wat tijd aan de applicatie!

En ik denk dat de oplossing voor die enigszins schizofrene grafiek hier ligt: de erg lage beoordelingen door de mensen die erg gefrustreerd zijn door de slecht-werkende interface, en dan de erg hoge beoordelingen door de bezoekers die, ondanks alle problemen, blijven volhouden en de CCT een erg goede tool vinden!

Maar wat is het dan, waarom blijven bezoekers ondanks alles volhouden, wat maakt de CCT nou zo goed? Ik deed 20 diepgaande interviews, en ik denk dat we daar wel wat aanwijzingen in kunnen vinden. Allereerst (en dit komt ook naar voren uit de vragenlijsten) vinden veel bezoekers de CCT een heel goed-werkende tool om de connecties tussen alle verschillende objecten te ontdekken – bezoekers zeggen dat ze het prachtig vinden hoe de CCT deze relaties tussen verschillende tijden en artefacten zo goed kan visualiseren. De CCT voegt veel toe aan de tentoonstelling om dat deze digitale applicatie dit soort informatie eigenlijk veel beter kan laten zien dan de fysieke tentoonstelling zelf, zo zeggen de deelnemers.

Maar nog belangrijker: de CCT zorgt er niet alleen voor dat deze informatie zichtbaar is, de CCT zorgt er ook voor dat de bezoekers deze informatie op hun eigen tempo en eigen manier kunnen ontdekken. In tegenstelling tot een gesloten tentoonstellings-narratief, functioneert de CCT als een open database, waarin bezoekers kunnen ontdekken wat zij zelf interessant vinden, op hun eigen manier. Eén deelnemer zei in haar interview: “De CCT is veel meer interactief dan langs eindeloze vitrines wandelen – nu kun je zelf beslissen over welke objecten je meer te weten wilt komen”. In mijn observaties zag ik dit ook gebeuren – een Duitse familie, twee ouders en twee kids, waren bezig om samen de CCT te ontdekken, en ze zochten samen op de kaart naar de plek van hun stad – waren er ook objecten gevonden in de buurt van hun huis? Dit illustreert het concept: bezoekers creëren betekenis door te zoeken naar dingen waar ze aan kunnen relateren – hun ervaringen worden betekenisvol doordat ze informatie vinden die relevant is voor hen (hier kun je meer over lezen in Nina Simon’s boek, The Art of Relevance). De huidige versie van de CCT is zeker een stap in die goede richting – er moet hier en daar nog wat geklust worden aan de gebruikersvriendelijkheid, maar deze eerste evaluaties laten zien dat de applicatie zeker potentie heeft!

Deze bevindingen, en nog vele anderen, deelde ik afgelopen weekend met de collega’s van het CEMEC project in Brussel. Zij kunnen nu met deze feedback aan de slag om de volgende tentoonstellingen hopelijk nog beter te maken! Ik hoop dat jullie het ook interessant vonden om te lezen over de resultaten van dit publieksonderzoek.