‘Macabre’ is waarschijnlijk ontleend aan het bijbelboek 2 Makkabeeën. Dat verklaart het woord ‘macabée’ in de titel.

De Bijzondere Collecties bewaren een verzameling zeldzame dodendansen en onlangs vond de conservator kerkelijke collecties er weer een bij: La grande danse macabée des hommes et des femmes gedrukt in 1729 in Troyes door de weduwe van Jacques Oudot en haar zoon Jean Oudot. Een parade van groteske beelden trekt aan je voorbij als je het boek opent. Skeletachtige figuren vragen mannen en vrouwen ten dans, soms op galante wijze, soms gretig en opdringerig, maar altijd grijnzend. De levenden reageren terughoudend, want ze weten dat ze recht in het gezicht kijken van hun eigen dood. Er is nu geen ontkomen meer aan.

De oorsprong van de dodendans, of ‘danse macabre’, ligt in de veertiende eeuw, toen de pest en de Honderdjarige Oorlog aan velen het leven kostten. Behalve het verlangen naar boetedoening, werd de haast om van het leven te genieten als van een laatste dans sterker gevoeld. Een vroege afbeelding van de dodendans was gemaakt in 1424/25 voor de Cimetière des Innocents in Parijs. Deze muurschildering is verloren gegaan, maar vormde wel het begin van een lange traditie in de literatuur, beeldende kunst en muziek.

Op wat aanpassingen na is de muurschildering overgenomen in de eerste editie van de La danse macabre uit 1485 door de Parijse drukker Guyot Marchant met houtsneden van Pierre le Rouge. Aanvankelijk werden alleen de mannen afgebeeld, maar in 1486 volgden ook de vrouwen in La danse macabre des femmes. De bogen die de personages omlijsten stellen de zuilengang van de begraafplaats voor. Allerlei rangen en standen passeren de revue, want de troostrijke gedachte is dat voor de dood iedereen gelijk is. In de bijbehorende tekst wordt niemand gespaard, afgezien van de kinderen en de franciscaan misschien. Het boek is zowel een satire op de middeleeuwse maatschappij als een aansporing om goed te leven.

Precies deze voorstellingen weten eeuwen later mensen nog steeds te boeien. De familie Oudot in Troyes heeft vanaf het einde van de zestiende eeuw meerdere edities gedrukt tot aan die van ons uit 1729. Ze maakte deze met goedkoop papier en verouderde houtsneden in de categorie Bibliothèque bleue, populaire boekjes met een blauw omslag. De gehavende kwaliteit van de afbeeldingen wekt verbazing, omdat in vergelijking met voorgaande Oudot-edities andere houtsneden zijn gebruikt. Dat doet vermoeden dat ze vaker zijn afgedrukt en er misschien wel veel meer dodendansen zijn verschenen dan wij weten.

En in Nederland? Ook hier kwam het genre voor, zij het sporadischer en in een andere vorm. In Schouw-toneel des doods van Salomon Rusting uit 1707 overvalt de Dood geheel onverwacht de mensen in hun dagelijkse bezigheden, in navolging van de zestiende-eeuwse afbeeldingen van Hans Holbein uit Duitsland. Rusting, die bekend stond om zijn burleske poëzie, verontschuldigt zich in het voorwoord voor het zware onderwerp. Het was niet zijn idee, maar van zijn uitgever Jan ten Hoorn die met de prenten voor de dag kwam, schrijft hij. Al is ook in dit werk de spot niet ver te zoeken.

Literatuur over de dodendansen van de Bijzondere Collecties

Leo Kerssemakers [e.a.], MM – Dansen met de Dood : de dodendans in boek en prent. Amsterdam, 2000.

Marianne Peereboom, Dodendansen uit de collectie Reichelt. Amsterdam, 1993.