Door Erik Zevenhuizen

Stukken in een archief ontlenen hun waarde doorgaans aan het feit dat ze onderdeel uitmaken van dat archief. Buiten het archief hebben ze een heel andere waarde, of zelfs helemaal geen waarde. Een goed voorbeeld is een kaartje van de Amsterdamse tram van eind augustus 1942 dat zich bevindt in het archief van Meijer Pinkhof (dat wordt bewaard in de Artis Bibliotheek). Als los stuk is het misschien leuk voor een verzamelaar van openbaar vervoer-parafernalia. Maar in de context van het archief krijgt het een heel bijzondere betekenis: Pinkhof was Jood, en vanaf 30 juni 1942 mochten Joden van de Duitse bezetter niet meer met het openbaar vervoer reizen, tenzij ze daarvoor vergunning hadden. Ook die vergunning, afgegeven door de Gemeentetram Amsterdam, bevindt zich in het archief.

Meijer Pinkhof werd geboren op 26 januari 1892 in Amsterdam. Zijn ouders, huisarts Herman Pinkhof en pianolerares Adeline de Beer, waren liberaal-joods opgevoed maar waren geleidelijk orthodox geworden. Zij voedden hun kinderen op in de geest van de Mizrachie: het religieus zionisme. Meijer studeerde plant- en dierkunde aan de Universiteit van Amsterdam en behaalde zijn doctoraal examen in 1920. Na enkele assistentschappen bij verschillende laboratoria sedert 1917 werd Pinkhof in 1921 voor een jaar aangesteld als eerste assistent op het laboratorium voor plantenfysiologie en farmacognosie van de Universiteit van Amsterdam. Tot 1940 werd de aanstelling jaarlijks verlengd. Vanaf 1934 was hij gewoon assistent.

Waarschijnlijk vanwege de achteruitstelling en vermindering van inkomen verzocht en ontving Pinkhof in 1935 voor vijf jaar de toelating als privaatdocent micro-klimatologie aan de Universiteit van Amsterdam, een toelating die in 1940 voor opnieuw vijf jaar werd verleend. Bovendien was hij in 1936–1938 in dienst bij de Gemeente-Electriciteitswerken Amsterdam als adviseur inzake elektrische verwarming en belichting ten dienste van de groenteteelt.

In 1925 wilde de Faculteit der Wis- en Natuurwetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen Pinkhof voordragen voor de benoeming tot buitengewoon hoogleraar in de botanie. Voor de aanstelling was het evenwel nog nodig te promoveren. Vanwege de haast die men had met de aanstelling moest dat binnen drie maanden gebeuren. Pinkhof promoveerde op een wetenschaps-theoretische verhandeling: De biologie als wetenschap. Een methodologische schets. De dissertatie kon de Groningse Faculteit niet bekoren en van de voordracht werd afgezien.

In september 1940 werd Pinkhofs aanstelling als assistent niet verlengd. In november 1940 volgde het besluit van de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied dat Joden niet langer bij het openbaar en het niet-joodse bijzonder onderwijs in dienst mochten zijn. Pinkhof verloor hierdoor ook zijn positie als privaat-docent. Hij werd vervolgens aangesteld als leraar plant- en dierkunde aan drie joodse scholen in Amsterdam en Haarlem.

Pinkhof was getrouwd met de eveneens joodse Marianne Jeanette Oppenheim; zij leerden elkaar kennen op een Mizrachistische jeugdvereniging. Zij was in 1916 plant- en dierkunde aan de Universiteit van Amsterdam gaan studeren, maar had haar studie niet afgemaakt. Uit het huwelijk werden vier kinderen geboren: Esther Rosa (1922), Adele Louise (‘Detje’, 1924), Sophie (1925) en Clara Jeanette (‘Claartje’, 1928). Het was geen harmonieus huwelijk. Volgens dochter Esther in haar memoires (uitgegeven in 1992) was ruzie en geschreeuw tussen beiden aan de orde van de dag. Haar vader was steeds ‘gejaagd en ongeduldig’ en besteedde aan zijn gezin weinig tijd en aandacht.

Na allerlei maatregelen waardoor de bewegingsvrijheid van Joden steeds verder werd beperkt en zij geïsoleerd werden van niet-Joden, begon de Duitse bezetter voorjaar 1942 met hun deportatie. Toen na een oproep zich te melden slechts vijfhonderd van de beoogde zevenduizend Amsterdamse Joden op 25 mei 1943 voor transport naar Westerbork verscheen, werd de dag erna een grootscheepse razzia gehouden. Meijer Pinkhof, zijn vrouw en hun drie jongste dochters werden opgepakt en naar kamp Westerbork overgebracht. Op 20 juli vertrokken zij per trein naar vernietigingskamp Sobibor, waar zij drie dagen later, direct na aankomst, om het leven werden gebracht.

Oudste dochter Esther was in 1942 getrouwd met Hans Asscher. Zijn doel was naar Palestina te emigreren, het land te ontginnen en daarom had hij bij enkele tuinderijen gewerkt. In 1942 werkte hij in de groentetuin van ‘Het Apeldoornse Bos’, een joodse psychiatrische inrichting. Esther werkte daar in de huishouding. Toen de inrichting in januari 1943 sloot, werden zij naar Westerbork overgebracht. In februari 1944 volgde deportatie naar kamp Bergen-Belsen. In april 1945 werden zij van daar met een aantal andere gevangenen per trein geëvacueerd naar kamp Theresienstadt. Hans overleed onderweg, Esther werd op 23 april door Russische troepen bevrijd in de buurt van het dorp Tröbitz waar het transport was gestrand. Zij keerde terug naar Nederland en emigreerde in 1946 naar Palestina.

Hoe het archief (dat slechts 4 cm in omvang is) bewaard is gebleven, is niet bekend. Het bevat zowel persoonlijke (inentingsbewijs, schoolrapport, militair zakboekje) als zakelijke stukken (aanstellingen als assistent en privaat-docent, stukken over de beoogde benoeming tot hoogleraar, stukken over zijn aanstelling als leraar op joodse scholen). Misschien had Pinkhof de stukken bij een collega van de Hortus in bewaring gegeven; aanvankelijk werd het daar in de bibliotheek bewaard. Er zijn ook enkele stukken bij over zijn vrouw en dochters. Het bijzondere hiervan is dat zij laten zien hoe het gezin probeerde aan tewerkstelling en deportatie te ontkomen.

Er is een verklaring van de Joodsche Raad voor Amsterdam dat Detje Pinkhof als onderwijzeres werkzaam is aan de Eerste Joodsche Kleuterschool ‘en als zodanig onmisbaar moet worden beschouwd’. Er is een verklaring van het Nederlands-Israelisch Ziekenhuis en Oudeliedengesticht te Amsterdam dat Sophie Pinkhof bij de instelling werkzaam is als dienstbode (het ziekenhuis werd enige tijd door de Duitsers ontzien). Er is een verklaring van W.P.C. Zeeman, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, dat Esther Pinkhof zodanig slechte ogen heeft dat zij ‘als invalide moet worden beschouwd … en voor zeer vele, overigens eenvoudige werkzaamheden ongeschikt is’. En er is een verklaring van de Joodsche HBS te Amsterdam dat Meijer Pinkhof daar als leraar werkzaam is ‘en als zoodanig niet gemist kan worden’.

Zo getuigt dat schijnbaar waardeloze tramkaartje in dit kleine archief van een grote en gruwelijke geschiedenis.

 

Erik Zevenhuizen studeerde geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en promoveerde in 2008 met een proefschrift over de bioloog Hugo de Vries. Ook stelde hij een bloemlezing samen van brieven die De Vries schreef tijdens zijn reizen in Amerika. Verder is hij co-auteur van boeken over de Amsterdamse Hortus. Hij is als gastmedewerker verbonden aan de Artis Bibliotheek.