Door Anne Troelstra

Toen ik eenmaal besloten had mijn exemplaar van Burdens Dragon Lizards of Komodo (1927) aan de Artis Bibliotheek te schenken, had ik meteen een mooie aanleiding gevonden om er iets over te schrijven.

Dit monster verzwolg in één hap het hele achterlijf van een hert. Foto van Mrs. Burden.

Er zijn van die iconische dieren die tot de verbeelding spreken, zoals onder de zoogdieren de grote panda — niet helemaal zo schattig als hij er uit ziet —, de tijger, de olifant en nog zo een paar; onder de vissen de reuzenmanta (de grootste van alle roggen) en de coelacanth, en onder de reptielen, in populariteit ver achteraan hinkend, de reuzenvaraan van Komodo, oftewel de komodovaraan. Het boek van Burden is voor zover ik weet het enige boek gewijd aan het bejagen en levend vangen van de komodovaraan.

Wie was Burden? William Douglas Burden (1898–1978) was een Amerikaanse geoloog, natuurhistoricus, jager en filmproducent. Van 1926 tot 1961 was hij een van de bestuurders van het American Museum of Natural History (AMNH). Hij richtte in 1926 het Departement Experimentele Biologie van het AMNH op, later omgedoopt tot Departement van Diergedrag. In datzelfde jaar nam hij deel aan een expeditie om Varanus komodensis op het eilandje Komodo (tussen Sumbawa en Flores) te verzamelen, zowel levende dieren als museumexemplaren. In de jaren 1928–1931 richtte hij samen met de vissenspecialist Ilya Tolstoy (1903–1970) de filmmaatschappij Burden Pictures Inc. op, en in 1935 samen met Tolstoy en de zakenman Cornelius Vanderbilt Whitney (1899–1992) een aquariumproject in Florida, de Marine Studios, later omgedoopt to Marineland. Daar probeerde Burden ten behoeve van de Amerikaanse marine een afweermiddel tegen haaien te ontwikkelen.

Burden, Look to the WildernessDat enige boek over de komodovaraan is eigenlijk tamelijk mager, het is een mooi voorbeeld van het ‘opvullen’ van een verslag, niet veel meer dan een vrij lang artikel, tot boeklengte. De eerste vier hoofdstukken (pagina’s 1–80) zijn gewijd aan een bezoek aan Beijing, waar hij Roy Chapman Andrews ontmoet, destijds leider van de Centraal Aziatische Expedities van het AMNH, en aan het verblijf op Bali. Dan volgt een beschrijving van de expeditie naar Komodo (pagina’s 81–157); in dit gedeelte geeft Burden lange citaten uit het dagboek van zijn vrouw, die haar eigen gang ging terwijl hij zich met varanen bezig hield. Dan volgt nog een bezoek aan het eiland Wetar om reptielen te verzamelen, en een appendix, die voornamelijk bestaat uit citaten uit de publicaties van Emmett Reid Dunn (1894–1956), de herpetoloog van de expeditie (pagina’s 158–221). Nu lijkt 77 bladzijden voor de kern nog heel wat, maar de tekst is wijd gezet in een royale letter, met royale marges. vIn een later boek van Burden, Look to the Wilderness (1960), in feite een bundeling van artikelen, wordt de expeditie efficiënter en beter beschreven.

De expeditie bestaat uit Burden en zijn vrouw, Dunn, de Chinese cameraman Lee Fai die voor Pathé Frères in Singapore werkte, Burdens Chinese bediende, en de Franse jager op groot wild François R. Defosse (1881–1954) uit Indo-China. Daarnaast hebben ze, daarbij geholpen door de assistent-resident, een aantal mensen uit Bima (Sumbawa) in dienst genomen. De assistent-resident is zeer geïnteresseerd in hun expeditie en vraagt naar het belang ervan. In hun gesprek oppert Burden de mogelijkheid dat de komodovaranen de basis van de middeleeuwse verhalen over draken vormen, een niet zeer waarschijnlijke hypothese.

Er worden twaalf exemplaren van de komodovaraan voor het museum verzameld, en twee levende exemplaren die echter hun transport naar de Verenigde Staten niet lang overleefden. De biologische informatie in het verhaal is beperkt, maar we leren dat de varanen gewoonlijk een hol onder boomwortels hebben en dat ze buitengewoon gulzig zijn. Sommige informatie is onjuist: Burden denkt dat varanen doof zijn. Maar komodovaranen kunnen wel geluiden waarnemen, al is hun reuk, die zetelt in hun gespleten tong, veruit hun voornaamste zintuig.

Burden (links) en Defosse bespreken plannen om de drakenhagedissen levend te vangen. Foto van Mrs. Burden.

Burden is in het boek een conventioneel denkende Amerikaan, die stereotypen niet schuwt. Het hoofdstuk over Bali is getiteld: ‘Een vulkaan, naaktheid en tijgers’.  Het feit dat de Balinese vrouwen met onbedekt bovenlijf rondlopen vervult hem met verbazing en verrukking:  … de naaktheid, die werkelijk verbazingwekkend is zowel in kwaliteit als kwantiteit. Er zijn vrouwen, vrouwen, overal, zulke ronde, gevulde patrijzen, tevens zo soepel en sierlijk, met zulke volmaakte vormen dat ze een inspiratie vormen voor de kunstenaar. Het herinnert aan de reacties van de eerste Europese zeevaarders die Tahiti bezochten. Eigenlijk weet Burden niet goed waarheen te kijken, maar de associatie met kunstenaars tilt de waarneming op hoger plan…

Defosse wordt stereotiep gekarakteriseerd als de ‘great white hunter’, een type dat vooral in verhalen over Afrika veel voorkomt. Iemand waarmee je alleen moet zijn, om hem te leren kennen, die je in actie moet zien om hem te begrijpen. Uiteraard heeft Defosse een rijke voorraad anekdoten ter beschikking, maar Burden geeft geen specifieke voorbeelden. Maar hij kruidt zijn anekdoten nu en dan met humoristische details betreffende huwelijk en liefdesleven onder de bewoners van de jungle; want, hoewel zelf een moreel mens, oordeelt hij niet in morele zaken, en zoals alle pioniers meent hij dat een beetje pikanterie in verhalen veel bijdraagt om het gesprek te verlevendigen.

In de ogen van Burden heeft Defosse maar één tekortkoming: hij vergelijkt alles, maar dan ook alles, met de toestanden in Indo-China, en is te onafhankelijk en te eigenzinnig om zichzelf aan te passen aan een nieuwe omgeving.

 

Anne S. Troelstra was van 1970 tot 2000 hoogleraar zuivere wiskunde en grondslagen van de wiskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Na zijn emeritaat in 2000 begon hij met de bestudering van natuurhistorische reisverhalen. Sinds 2003 is hij gastmedewerker bij de Artis Bibliotheek.