Door Jan Trachet

Deze blogpost is het resultaat van een 30 dagen durend onderzoeksverblijf aan de Bijzondere Collecties in Amsterdam. Voor mij een eerste buitenlands onderzoeksverblijf, voor de Bijzondere Collecties een eerste fellowship. Onder begeleiding van Bram Vannieuwenhuyze, die sinds 2015 de leerstoel Historische Cartografie bekleedt, werd de kaartenzaal mijn werkterrein. Van opleiding ben ik immers archeoloog, maar als postdoctoraal onderzoeker verdiep ik mij sinds oktober 2017 in de kaart van het Brugse Vrije, geschilderd door Pieter Pourbus in 1571. Hoewel het kunstwerk technisch gezien een schilderij is, zou het op basis van zijn loodrecht perspectief en topografische accuraatheid ook als een als een handgetekende of figuratieve kaart gecatalogiseerd kunnen worden. Zowel op vlak van stijl, inhoud en zin voor detail gaat het om een meesterwerk binnen de schilderkunst en cartografie: een grandioos grensgeval.

Kopie van Pourbus’ kaart van het Brugse Vrije uit 1601. Enkel de noordoosthoek van het origineel schilderij is bewaard (stippellijn) en is het onderwerp van deze studie (© Lukas – Art in Flanders VZW, foto Dominique Provost).

Bij mijn zoektocht naar de evoluties in de vroegmoderne cartografie en schilderkunst, kwamen enkele parallellen tussen de laat-zestiende-eeuwse geschiedenis en brandende actualiteit me steeds weer voor de geest. Net als een kleine 500 jaar geleden borrelt het nationalisme en/of regionalisme in Europa. Populaire politieke strekkingen in de (Zuidelijke) Nederlanden keren zich steeds meer tegen het centrale bestuur in Brussel, met Antwerpen als voornaamste exponent. Maar ook in de Noordelijk Nederlanden, waar ik op historisch correcte wijze naartoe ben gevlucht onder het mom van een onderzoeksverblijf, is de teneur gelijkaardig. ’s Lands pronkstuk is sinds kort het Plakkaat van Verlatinghe, de zogenoemde onafhankelijkheidsverklaring van de Nederlanden die uiteindelijk leidde tot de scheiding tussen Noord en Zuid. Maar zo luid het Plakkaat de voorbije maand werd bejubeld, zo stil waren de Nederlandse media over Carles Puigdemont, die contemporaine Catalaanse collega van Willem van Oranje, en zijn opstand tegen het centralistische politiek uit Madrid. En net als 500 jaar geleden zijn het de Zuidelijke Nederlanden die, zodra de opwinding van de opstand is gaan liggen, de kastanjes uit het Spaanse vuur mogen halen.

Terug naar de kaart. Het territorium van het Brugse Vrije dat door Pourbus werd vastgelegd vertoonde op dat moment nog geen dergelijke scheuren tussen Noord en Zuid. De grootste Kasselrij (district) van Vlaanderen liep van de IJzer tot de Westerschelde en wilde die grootsheid graag op (de) kaart zetten. Brugge was het kloppend hart van de regio, en de getijstroom van het Zwin de belangrijke levensader die de stad verbond met de Noordzee. Het schilderij werd besteld in 1561 en uiteindelijk opgeleverd in 1571. De Tachtigjarige Oorlog mocht dan ondertussen wel al gestart zijn, in (Zeeuws-)Vlaanderen was daar nog niet veel van te merken. Op het einde van de zestiende eeuw veranderde die situatie echter grondig: na eeuwenlang gefunctioneerd te hebben als internationale transportas, werd de Zwinregio getransformeerd in een gemilitariseerde frontzone.  Net als de kaart zelf, werd ook het afgebeelde landschap al snel een grensgeval.

Het bewaarde origineel van Pieter Pourbus’ kaart van het Brugse Vrije (1571). Linksonder ligt Brugge, centraal bevindt zich de Zwingeul (© Lukas – Art in Flanders VZW, foto Dominique Provost).

De cartografen van die tijd hadden echter schijnbaar weinig last van grenzen. Op technisch en wetenschappelijk vlak waren het dikwijls interdisciplinaire duizendpoten die het maken van kaarten moeiteloos combineerden met bijvoorbeeld portretschilderkunst, civiel-technische projecten, of astronomie. Maar ook geografisch gezien waren het wereldburgers. Hoe graag België als Nederland zich ook op de borst kloppen met ‘hun’ cartografen, een korte blik op de whereabouts van deze lieden leert dat zulke nationale trots vaak misplaatst is. Zo werd Gerardus Mercator wel en route in het Vlaamse Rupelmonde geboren, maar vertoefde hij grotendeels in het huidige Duitsland. De roots van Abraham Ortelius moeten we eveneens diep in Duitsland zoeken. Pieter Pourbus, de protagonist van dit verhaal, werd dan weer geboren in Gouda. Anderzijds waren veel van (Noord-)Nederlands eerste cartografen en wetenschappers migranten uit het zuiden: Pieter van der Keere, Petrus Plancius en Jodocus Hondius lagen mee aan de basis van de gouden jaren van de Nederlandse cartografie, maar hadden hun wortels in Vlaanderen. U begrijpt waar ik naartoe wil: bij die zestiende-eeuwse cartografen waren er behoorlijk wat grensgevallen.

Hadden die cartografen dan lak aan grenzen? Dat zou eigenlijk niet mogen verbazen. Cartografen staan daar immers boven, ze hanteren een vogelperspectief. Anderzijds werd de representatie van grenzen steeds meer de kern van hun businessmodel. Zowel op lokaal, regionaal als internationaal niveau was er in de zestiende eeuw een steeds grotere vraag naar een visuele weergave van territoria, en dus ook van grenzen. Vooral bij conflicten was het belangrijk de exacte positie van de grens te kennen die men wilde uitbreiden of consolideren. Een andere categorie van opdrachtgevers wilde vooral een pronkstuk ter meerdere eer en glorie van zichzelf en hun grondgebied. De kaart die Pieter Pourbus voor de kasselrij van het Brugse Vrije moest schilderen, hoort thuis in deze laatste categorie.

Detailopname van Sluis, net voor de Tachtigjarige Oorlog er een gemilitariseerd grensstadje van zou maken. (© Lukas – Art in Flanders VZW, foto Dominique Provost).

Deze laatste classificatie niet te na gesproken, is Pourbus’ kaart van het Brugse Vrije dus een grensgeval dat moeilijk te categoriseren lijkt. Zo is de grootte van het originele werk (614 x 361 cm), gecombineerd met de grote schaal (1:12.000) en hoge detailleringsgraad (tot op huis- en straatniveau) uniek. Bovendien gebruikte Pourbus een doek als drager voor zijn geschilderde kaart, terwijl zijn collega-schilders nog vooral op paneel schilderden en zijn collega-cartografen al volop kaarten lieten drukken. Tot slot is het opvallend dat Pourbus voor de visualisatie van dergelijk ‘pronkstuk’ brak met het tot dan toe gangbare schuine vogelperspectief, en als één van de eersten Icarusgewijs een hogere positie in het firmament opzocht om een quasi loodrechte opname van het gebied te realiseren. Dat ook bij de aanvang van Pourbus’ project misschien sprake was van enige hybris blijkt uit het feit dat de kaart pas tien jaar na de bestelling in 1561 – en na vele aanmaningen – werd opgeleverd. Bovendien is de detailleringsgraad van het noordoostelijke deel veel hoger dan rest van het schilderij. Dit lijkt erop te wijzen dat de grote cartografische ambities niet overal werden toegepast.

Mijn onderzoeksproject zal dan ook Daedalusgewijs de gulden middenweg zoeken tussen schaal en detail. De volgende 2,5 jaar zal ik het noordoostelijk deel van het originele schilderij digitaliseren, vectoriseren en identificeren, met bedoeling elk individueel topografisch element in een digitale omgeving aanklikbaar te maken. Alles wijst er immers op dat zo goed als elk detail dat door Pourbus werd geschilderd een topografische en archeologische realiteit heeft. Veel van die elementen zijn echter sindsdien uit het landschap verdwenen. Dit project zal trachten deze laatmiddeleeuwse realiteit terug zichtbaar te maken in een landschap dat sinds zijn laatste grenstwisten onder een laag klei is komen te liggen.

Mijn verblijf aan de Bijzondere Collecties is daarbij een erg nuttige periode geweest. Naast de vakbibliotheek die ik uitgebreid heb geconsulteerd, waren er ook enkele zeer verrijkende lezingen en ontmoetingen. Vooral de kennisdelingsbijeenkomst georganiseerd door de UvA en het Scheepvaartmuseum sloot naadloos aan bij de aspiraties van het Pourbus-project. Ik leerde er hoe academici hun onderzoek kunnen integreren en presenteren in musea – wat er treffend gedemonstreerd werd met de nieuwe opstelling van de drie meter brede wereldkaart van Blaeu. Een toevalstreffer? Daar geloof ik niet in. Zoals mijn overgrootvader zou zeggen: ‘Een vliegende kraai vangt meer dan een zittende.’ Hij was een begenadigd duivenmelker en geboren en getogen in Menen, een stadje aan de Frans-Belgische grens. Een grensgeval met vogelperspectief.

 

Jan Trachet is archeoloog aan de Universiteit Gent en promoveerde in 2016 met een doctoraatscriptie over de verdwenen laatmiddeleeuwse voorhavens van Brugge. Sinds oktober 2017 focust hij met zijn postdoctoraal onderzoek op Pieter Pourbus’ geschilderde kaart van het Brugse Vrije. Zijn onderzoek is te volgen op www.zwinproject.ugent.be/nl en op Twitter: @JanTrachet.