Aan het eind van de jaren zestig verwierf de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek de collectie ‘Amstelodamica’ van A.M. van de Waal. Hij werkte als archivaris bij een bank en bracht een van de grootste particuliere collecties betreffende Amsterdam bijeen. Zijn verzameling bestaat uit boeken, kaarten, foto’s, brieven en andere documenten. Na bijna vijftig jaar vereist goed beheer van deze collectie een andere ordening. Daarbij komt veel bijzonder materiaal opnieuw even aan het licht. Ditmaal bij voorbeeld documenten over enkele standbeelden en monumenten.

Monumenten, in het bijzonder standbeelden, spreken tot de verbeelding. Zij belichamen een gevoel van waardering, trots of eerbetoon. Bij voorkeur gaat het dan om een gevoel dat breed gedragen wordt, liefst zelfs door iedereen. Maar ja, het is en blijft Nederland, dus zoveel mensen zoveel zinnen. Iedereen heeft overal een mening over – en dikwijls ook een ándere mening. Denk bijvoorbeeld aan de actuele discussie over de (on)wenselijkheid van monumenten voor nationale helden, van wie de daden ‘met de kennis van nu’ heel anders worden beoordeeld dan voorheen. Het is boeiend om aan de hand van enkele voorbeelden en  documenten vast te stellen dat het onvermijdelijke gekrakeel van alle tijden is.

Zo stond vóór het Paleis op de Dam van 1856 tot 1913 het beeld dat in de volksmond ‘Naatje’ werd genoemd. Bij de plaatsing werden grote feesten gevierd – al was er ook  bevreemding dat een monument voor de Tiendaagse Veldtocht werd vervaardigd door de Belg Louis Royer. Toen Naatje werd verwijderd, vooral wegens de slijtage die het beeld ontoonbaar had gemaakt, werd er in kranten en in de vorm van pamfletten uitvoerig op gereageerd – en niet altijd met instemming of begrip.

Na de Tweede Wereldoorlog werd – ter herdenking van de slachtoffers – tegenover het Paleis (maar verder weg dan waar Naatje stond) het Nationale Monument opgericht. De financiering werd mede gedekt door bijdragen van het publiek. Men kon voor vijftig cent eigenaar worden van een stukje van het zgn. Damplantsoen ter grootte van 1 cm2, en dat dan ten behoeve van het monument ter beschikking stellen. Ook over dit monument werd intensief gediscussieerd. In de jaren ’60 werd het een slaapplaats van hippie’s, die vervolgens weer met geweld verwijderd werden.

Het Rembrandtplein ten slotte heette aanvankelijk Botermarkt. Halverwege de 19de eeuw verrees daar het beeld van Rembrandt, later kreeg het plein de huidige naam. Ook de plaatsing van dit beeld ging gepaard met veel aandacht in de publiciteit. Net als voor het monument op de Dam werd voor bekostiging van het beeld van Rembrandt een beroep op publiek gedaan, in de vorm van een verloting van kunstwerken (niet van Rembrandt, waarschijnlijk). Geestig is de ‘zamenspraak’ tussen de Botermarkt en Rembrandt zelf. De schilder betoont zich allesbehalve dankbaar met de ereplaats, en verzucht tot de Botermarkt:

 

En ik wou dat ’t Bestuur der stad,

Liefst in de broek gepoeijerd had,

Dan mij hier zulk een plaats te geven;

Ik Sta te rillen en te beven,

De wind snijdt door mijn dode leên,

Uit alle vier de hoeken heên,

En dan die pisbak aan dien Waag,

Bederft door zijnen stank mijn maag.

 

Gekrakeel of niet: Rembrandt staat nog altijd op het Rembrandtplein. En kennelijk is er naar zijn bezwaar geluisterd, want de Boterwaag is in 1874 gesloopt en een pisbak is er in de nabije omgeving van het beeld niet meer te vinden.