Hs. XXXV A 34

Hs. XXXV A 34

Handschrift, een lastige term. Zowel een handgeschreven tekst zelf als een boek of blad dat handgeschreven tekst bevat, beide heten handschrift. Maar is een handschrift wel altijd geschreven, strikt genomen? Een rondgang door onze handschriftencollectie doet anders vermoeden. Daarin zijn ook stukken ondergebracht met tekst die gepenseeld, geborduurd, geknipt, gebeiteld, geponst, gekrast, gestempeld, getypt of geprint is. En is een handschrift wel altijd letterlijk met de hand gemaakt? Zelfs dat niet.

Hoe handschriftelijk oogt het hier afgebeelde blad, dat zich sinds 1998 in de Bijzondere Collecties bevindt. Het bevat pentekeningen van een zwaan, een pioenroos en een kluwen ranken die uitlopen in een mensenhoofd met krullenbos. De ranken lijken door het papier geregen te zijn. Tezamen vormen ze een kapitale I, als eerste letter van deze tekst:

Ik zonder handen, en zonder voeten also ter wereld geboren in Koningsbergen, in Pruijsen, den 7de Mart 1735, hebbe dit alhier, met de korte armen, die maar tot aan die elleboogen zijn, geschreven, met de penne, die ik ook zelven, met mijn mond gesneeden hebbe, in

Onder de ranken volgt de dagtekening: ‘Monnikendam den 21ste Augustus 1778.’

Tekst en tekeningen zijn dus vervaardigd door iemand die zonder handen en voeten door het leven moest. Ondanks zijn aangeboren handicap kon hij niet alleen een pen voeren, ook kon hij die pen – destijds gewoonlijk een ganzenveer – met behulp van zijn mond zelf bijsnijden. Om nog eens extra te benadrukken dat hij kon schrijven als de beste, ondertekende hij de tekst met zijn naam in spiegelbeeld. Die naam, rechts van de pioenroos, luidt J.J. Everts.

Deze Everts wil ons doen geloven dat hij op 7 maart 1735 geboren was in Königsberg in Oost-Pruisen, maar hij deed zich uitheemser voor dan hij was. In werkelijkheid stond zijn wieg niet op de berg van de koning maar in het bos van de hertog. Want ongetwijfeld hebben we van doen met de Johannes Jacobus Everts die door G. Kante genoemd wordt in zijn boek Blik op ’s Hertogenbosch, zijne geschiedenis en tegenwoordigen toestand uit 1855, in een beschrijving van het stadhuis:

In eene der bovenzalen vindt men ook eene teekening met de pen door zekeren Johannes Jacobus Everts, die in de vorige eeuw te ’s Hertogenbosch woonde. Wij zouden haar welligt voorbijgaan, indien men er ons de bijzonderheid niet van mededeelde dat de ongelukkige kunstenaar armen noch beenen had, en met eene pen, welke hij in den mond hield, dergelijke pennekunst vervaardigde.

Uit doop-, trouw- en begraafboeken blijkt dat Johannes Jacobus in Den Bosch gedoopt werd op 11 februari 1718 en gehuwd was met Everdina de Heselaer (1709/10–1787). Volgens burgerlijkestandgegevens overleed hij in Den Bosch op 19 januari 1811. Johannes Jacobus en Everdina hadden zeven kinderen: Johannes, Catharina, Petrus Franciscus, Gisberdina, Joanna Maria, Josephus en Aldegondis. In 1775 woonde hij met een huishouden van negen personen in de Vughterstraat, met als beroep ‘kunstwerker’.

Nu zijn er her en der tekeningen – stadsgezichten van Den Bosch, een natekening van een geschilderd portret, een silhouettekening van een bordurende dame – uit circa 1775–1785 bewaard gebleven die gesigneerd zijn door ene J. Everts. Ook kreeg een zekere Johan Everts in 1777 van stadswege betaald voor het maken van tekeningen in opdracht van de Bossche geschiedschrijver Johan Hendrik van Heurn. Enkele prenten naar tekeningen van Everts sieren Van Heurns vierdelige Historie der stad en meyerye van ’s Hertogenbosch (1776–1778). Betreft het hier Johannes Jacobus Everts of diens oudste zoon Johannes? De laatste werd gedoopt op 17 december 1737 en overleed op 23 juli 1818; als beroep wordt in zijn overlijdensakte vermeld ‘horologiemaker’.

Hs. 44 Bj 1

Hs. 44 Bj 1

Hs. 44 Bj 1. Brief van Ducornet.

Johannes Jacobus verdiende kennelijk een boterham door zijn kunsten te vertonen op markten en kermissen. Daarop wijst een gedrukt affiche of strooibiljet waarin hij aankondigt opmerkelijke verrichtingen te zullen laten zien. De aankondiging heeft een toevoeging in handschrift, gedagtekend Vreeland 27 mei 1770. Waar het stuk zich momenteel bevindt, is helaas onbekend. Het was in 1998 in bezit van een heer die het toen onder de aandacht bracht van de antiquaar van wie ons blad in datzelfde jaar verworven werd. Deze heer bezat bovendien een vel met tekeningen dat vergelijkbaar moet zijn geweest met ons blad. Graag zou ik met hem of de huidige eigenaar in contact komen.

Onder de in spiegelbeeld geschreven naam volgt nog een tekst in Duits schrift en in de Duitse taal: ‘Bin gebohren in Königsberg in Preussen den 7. Martij 1735. Habe dieses ohne Hände geschrieben.’ Ongetwijfeld is deze notitie eveneens geschreven door Everts zelf. Van hem zijn vast ook de krabbels op de achterkant: verschillende versies – zowel qua taal als schrift – van de naam van ‘Johannes Meijer’, alias ‘Jeane Meyre’ (in krullender letters), alias ‘Johan Meijer’ (in Duits schrift). Al vanaf de late middeleeuwen etaleerden schrijfmeesters hun beheersing van diverse schriftsoorten op voorbeeldbladen en in exempelboeken, ten behoeve van hun klanten. Met het toepassen van verschillend schrift plaatste Everts zichzelf in een traditie. Was Johannes Meijer trouwens de eerste eigenaar van het blad? Met wat fantasie zien we hem op de markt in Monnikendam tegen betaling het kunststukje van Everts in ontvangst nemen.

Anaya Ellick met haar Special Award for Excellence in Manuscript Penmanship.

Hoe knap zijn prestatie ook was, Everts is niet de enige geweest die kon schrijven zonder handen. Een beroemde voorganger was Matthias Buchinger (1674–1739) uit Ansbach in Beieren. Buchinger, geboren met extreem korte ledematen waaraan handen en voeten ontbraken, had zich gespecialiseerd in micrografie – zeer klein geschreven schoonschrift – en was bedreven in het maken van trompe-l’oeils en in kaarttrucs. Hij reisde kermissen, jaarmarkten en salons in heel Europa af om tegen betaling zijn publiek te verbazen. The Metropolitan Museum of Art in New York wijdde in 2016 een tentoonstelling aan Buchinger, waarbij een fraai boek verschenen is. Historicus Maarten Hell schreef er een mooi blog over.

In onze eigen Bijzondere Collecties is een brief aanwezig van de Franse schilder Louis Joseph César Ducornet (1806–1856), die geboren was zonder armen en dijbenen en aan elk van zijn voeten slechts vier tenen had. Desondanks kon Ducornet met zijn portretten, historiestukken en Bijbelse scènes in zijn onderhoud voorzien. Volgens een tijdgenoot, Maxime du Camp, waren zijn met de voet geschilderde doeken ‘nauwelijks slechter’ dan veel met de hand geschilderde doeken van collega’s. De eigenvoetig geschreven brief, hoogstwaarschijnlijk gericht aan de buikspreker en filantroop Alexandre Vattemare, is in elk geval prima leesbaar.

En dan is er natuurlijk nog de kleine Anaya Ellick uit Chesapeake, Virginia. In het voorjaar van 2016 haalde dit toen zevenjarige meisje wereldwijd het nieuws omdat zij een schoonschrijfwedstrijd voor scholieren had gewonnen, ondanks haar handicap: evenals Everts en Ducornet is Anaya geboren zonder handen. Met gepaste trots poseert zij op foto’s met haar Nicholas Maxim Special Award for Excellence in Manuscript Penmanship. Op YouTube is te zien hoe zij, met een potlood tussen haar onderarmpjes geklemd, trefzeker en zorgvuldig de letters op papier weet te krijgen. En zoals Everts zélf zijn ganzenveer bijsneed, zo punt Anaya zélf haar potlood bij.

 

Met dank aan Maarten Hell, die mij op de Bossche Johannes Jacobus Everts attendeerde.