Op 23 juli 1903 trad de 21-jarige Pauline Hermine Elisabeth Pierson in het huwelijk met Paul Antoine Voûte. Bruid en bruidegom behoorden beiden tot gerespecteerde families. Zo was Pauline een kleindochter van de vermaarde cultuurhistoricus Allard Pierson en diens echtgenote Pauline Hermine Elisabeth Gildemeester. Allard Piersons grote betekenis heeft uitdrukking gekregen in de naam van het archeologiemuseum van de Universiteit van Amsterdam.

Allard Pierson en Pauline Gildemeester. Daguerreotypie, mogelijk gemaakt ter gelegenheid van hun huwelijk in 1854.

Allard Pierson begon zijn loopbaan als predikant, maar in 1865 vond hij zijn ambt niet langer verenigbaar met de vrijzinnige denkbeelden die hij gaandeweg ontwikkeld had. Zijn studiezin en brede interesse uitten zich in talrijke publicaties, zowel theologische als historische en literaire. In 1877 werd Pierson hoogleraar in de kunstgeschiedenis, esthetica en moderne talen en letteren aan de net gestichte Universiteit van Amsterdam, waarvan hij ook een aantal jaren rector magnificus was. Hij gaf colleges over een waaier aan onderwerpen, van Griekse kunst en Germaanse mythologie tot Shakespeare, Goethe en Bilderdijk.

Allard en Pauline kregen zeven kinderen; een van hen stierf jong, de andere zes groeiden voorspoedig op. Allard was wat we tegenwoordig een family man zouden noemen. Hij nam volop deel aan het gezinsleven en hield zich intensief bezig met de opvoeding van zijn kroost. Verschillende brieven, dagboeken en memoires in de verzameling Pierson-Gildemeester bij de Bijzondere Collecties geven blijk van Allards liefdevolle toewijding als echtgenoot en vader. De kinderen van Allard en Pauline zouden hun leven lang dierbare herinneringen aan hun beide ouders blijven koesteren.

Toen hun kleindochter Pauline Voûte-Pierson in 1903 trouwde, waren Allard en Pauline al overleden, maar zij had hen goed gekend. Hun huwelijk werd de jonge bruid ten voorbeeld gesteld door de beide jongste zusjes van haar vader. Tante Ida en tante Etha kozen daar een originele vorm voor: zij lieten twee kinderschoentjes van Allard en Pauline – van beiden één schoentje – ‘metaliseren’, zoals dat wel heet, en gaven die met een toepasselijk gedicht als huwelijkscadeau aan hun nichtje. Eén schoentje is verzilverd, het andere is verbronsd; volgens een bijgevoegde notitie van later datum is het eerste (met vetertje) van Allard en en het tweede van Pauline.

Het gezin Pierson-Gildemeester, 1876.

Het vergulden, verzilveren, verbronzen of verkoperen van kinderschoentjes, waarbij ze door middel van galvanisatie verduurzaamd worden, is inmiddels een traditioneel gebruik. Maar toen Ida en Etha Pierson in 1903 de schoentjes van hun ouders lieten ‘metaliseren’, ging het nog om een uit het buitenland overgewaaide noviteit, getuige het volgende bericht in het Bataviaasch Nieuwsblad van 12 mei 1904:

Als Allerlaatste Nieuwigheid meldt men ons uit Nederland, dat kleine, gedragen kinderschoentjes te Weenen op zeer fraaie wijze gebronsd, verzilverd en verguld kunnen worden en dan op een étagère tafeltje, voor alle bederf verzekerd, een zeer goede vertooning kunnen maken.
      Ouders die hun kleinen door den dood hebben verloren dan wel souvenirs van hun kinderen op prillen leeftijd willen bewaren, vinden in deze nieuwigheid een middel om zich het genot van een aandenken te verschaffen.

De krant eindigde met een waarschuwing: pas op dat rokende gasten het dierbare kleinood niet per abuis aanzien voor een asbak…

Het huwelijksgeschenk van de tantes mag dus gelden als een vroeg voorbeeld van gegalvaniseerde schoentjes in Nederland. Extra opmerkelijk is dat de schoentjes zelf nog zo’n zeventig jaar ouder zijn: Allard en Pauline waren beiden geboren in 1831. Zoals gezegd lieten Ida en Etha hun cadeau vergezeld gaan van een gedicht. Het is geschreven door Etha, en ook al loopt het wat moeizaam, de boodschap is helder:

Haagsche Courant, 11 december 1920.

Twee ongelijke muiltjes
Toch vormden zij een paar
Een paar hoe ongelijk ook
Hield tred! vast met elkaar

Dit voetj’ met sterke vleugels
Hoog boven ’t aardsche rees
Doch liefd’ het teere voetje
Den weg ten hemel wees.

Mocht moeilijk u ooit vallen
Tred houden met elkaar
Laat dan uw oogen vallen
Op dit klein schoentjes paar!

Grootvader en Grootmoeder
Zij hebben er in gestaan
Hun liefd’ moge u omstralen
En geven pas u aan!

Pauline Voûte-Pierson koesterde de schoentjes die ze bij haar huwelijk gekregen had, of zoals ze zelf schreef: ‘Sindsdien had ik ze altijd bij me.’ Na haar overlijden in 1965 ontfermde haar dochter Henriëtte Voûte zich over de schoentjes. In 1986 gaf zij ze als huwelijkscadeau aan haar zoon en schoondochter Christian Elie Dutilh en Helena Elisabeth Maria Ruys. De eerste en de derde strofe van Etha’s gedicht werden toen opnieuw uitgeschreven en bijgevoegd.

De heer Dutilh schonk de schoentjes vorige maand aan de Bijzondere Collecties, als aanvulling op de al bij ons aanwezige verzameling Pierson-Gildemeester. Ook andere nazaten van Allard en Pauline hebben deze verzameling in de afgelopen jaren met belangwekkende schenkingen verrijkt.