Op 23 augustus herdenken we dat Gerbrandt Adriaensz. Bredero 400 jaar geleden is gestorven. Hij is slechts 33 jaar geworden, maar liet een indrukwekkend oeuvre van toneelstukken en gedichten na. Zijn liedjes verschenen in langwerpige (oblong formaat) liedbundels, een genre dat vanaf het begin van de zeventiende eeuw populair was. Als ze over de liefde gingen, werd speciaal de huwbare jeugd aangesproken, die wel oren had naar bruiloftsliederen, minneklachten en erotisch getinte liefdesliedjes.

In deze bundels werden vaak geen muzieknoten weergegeven. Een verwijzing naar de titel van een bekend lied was voldoende om de melodie in herinnering te brengen. Ook liederen van Bredero komen al gauw als wijsaanduiding voor, waaruit blijkt dat ze veel gezongen werden in zijn tijd. Een voorbeeld is “Fytje Floris” uit zijn Boertigh, Amoreus en Aendachtigh Groot Lied-boek (1622). De beginregels luiden: “Fytje Floris myn speulmeysje / Wilje me na buyten gaen?”

Het gaat over twee vriendinnen, Jaapje en Fietje, die tijdens een picknick erachter komen dat ze een verhouding hebben met dezelfde man, Michiel. Ze besluiten om het heft in eigen handen te nemen en kop of munt te spelen: wie het raadt mag hem hebben. Fietje verliest het spel, maar de vraag is of daarmee de loting of de liefde wordt bedoeld.

De liederenbank van het Meertensinstituut geeft een overzicht van liedjes waarbij “Fytje Floris” als wijsaanduiding is gebruikt. Daar staat “Cloris aen Philida” nog niet bij. Dit liedje komt voor in een unieke bundel(1) die conservator Adriaan Plak vond tussen de doubletten en incomplete boeken. Het is een slordige uitgave op goedkoop papier met eenvoudige houtsneden die niet altijd bij de tekst passen. Een aantal bladen, waaronder het titelblad, ontbreekt in het exemplaar, maar dankzij de koptitel in grote letters op het tweede blad weten we waarschijnlijk hoe het boekje aangeduid werd: Het Nieuwe Dordrechtse Maegden-beeckje.

De personages Cloris en Philida verwijzen naar de gelijknamige tragikomedie van Jan Harmensz. Krul uit 1631. De Perzische hoveling Cloris is verliefd op de herderin Philida, die verliefd is op de herder Philander, die weer verliefd is op Lerinde. Het verhaal eindigt naar ieders tevredenheid en Cloris en Philida krijgen elkaar. In Het Nieuwe Dordrechtse Maegden-beeckje bezingt Cloris zijn verliefdheid op Philida:

Cloris aen Philida

Is het wonder Philidaetje /
Dat ick stadigh naer u tracht /
En dat ick den ganschen nacht
Liever heb met u een praetje /
Dan te leggen op mijn bedt /
Daer gy my de rust belet;

Want uw’ lockjens / die my locken /
En uw voorhooft als een throon /
Met twee oogjes / wonder schoon /
Komen staegh mijn sinnen rocken;
Dat ick / schoon ick van u ben /
Echter nog niet rusten ken.

Dan peyns ick op’t cierlijck wesen;
Dan op kaeckjes / die altoos
Proncken met een roode roos;
Dan op ‘t neusje dat op dese
Roosjes dauw en druppels aemt;
Dat ’et self Auroor beschaamt.

Krale lipjes / elpe tantjes /
Haven daer mijn mond op doelt /
Beckje dat van Nectar spelt /
Soete stroompje / blusch mijn brantjes;
Gun / ay gun my / dat ick lep /
En uyt u eens koelte schep.

Suykert kinnetje / zwanen-halsje /
Soete borsjes; ick verdwael
Eer ick ’et al-te-mael verhaal.
’k Had de grootste rijckdom / alsje
Slechts woud gunnen / dat ick maer
Altijdt uwen dienaer waer.

“Cloris aen Philida” kan aan de lijst met liederen op de melodie van Bredero’s “Fytje Floris” worden toegevoegd. Over de andere 65 liedjes in Het Nieuwe Dordrechtse Maegden-beeckje later meer.

(1) Jeroen Jansen wees me erop dat het misschien om dezelfde editie gaat als genoemd in F.A. Snellaert, Oude en nieuwe liedjes, 1864, onder de titel: “Maegden-Beeckje (Het nieuwe Dordrechtse), vol genoegelijcke Vryagien, Bruylofts en Minne-Liedtjes: Minnaers-klachten, als oock de klagende Maeghde raet voor de selve. Amst. Mich. De Groot, 1680. Langw. 16o. Houtsn.” Snellaert vermeldt geen bewaarplaats.