De Balataconcessiekaart van Suriname uit 1920

In de jaarlijkse blog over kaarten van hele eeuwen oud zocht ik dit keer naar een kaart van één eeuw oud. Ik vond de

Kaart van Suriname bedoeld in art. 2, § 1 van de balata-verordening 1914 (G.B. n°. 51) en aangevende de verdeeling in perceelen.

Toen ik deze titel las in de catalogus was het eerste wat ik me afvroeg: wat is “balata”. Bekijken van de kaart zelf geeft geen antwoord op de vraag. Het is daarom goed dat we Wikipedia hebben! Daarin vind je dat balata een ‘vrij hard, roodbruin rubberachtig product’ is afkomstig van de balataboom of bolletrie. Balata is heel stevig en niet erg elastisch en was daarom geschikt om er drijfriemen, golfballen en schoenzolen van te maken. De boom komt in tropische oerwouden voor met een gemiddelde dichtheid van één boom per hectare.

Balatableeder aan het werk. UvA HG 88-138 pl. 76

 

Het winnen van balata gebeurde door het maken van V-vormige inkepingen in de boom en het sap op te vangen. Een balataboom kan maar één keer per vijf à zeven jaar getapt worden. Je kon ook niet zomaar een boom opzoeken en tappen. Dat mocht alleen als je een concessie had: het recht om in een bepaald gebied balata te tappen. Zo’n concessie werd in Suriname voor het eerst afgegeven in 1858. Veertig jaar later waren er 54 concessies afgegeven voor een gebied met een oppervlakte van ongeveer 32.000 km2 – met één boom per hectare betekent dat 3,2 miljoen bomen, dus er konden ruim een half miljoen bomen per jaar getapt worden. Concessies lagen verspreid door de gehele kolonie. De ‘balatableeders’ vertrokken in januari – februari naar die concessies en bleven daar een aantal maanden.

In 1914 wilde het koloniaal bestuur de balatawinning wat meer reguleren en stelde een verordening vast. Het land werd ingedeeld in 42 blokken van 780 tot 20.000 km2, die zo veel mogelijk begrensd werden door rivieren en beken, en verder door meridianen en parallellen. In het zuiden was dat niet overal mogelijk, omdat daar de precieze loop van de rivieren nog niet goed in kaart gebracht was. De percelen kregen daarom rechte grenslijnen en waren ook enorm groot. Dat was toen geen bezwaar omdat daar nauwelijks exploitatie was.

De verordening van 1914 telde 88 artikelen en omvatte zo’n 70 bladzijden. De West, nieuwsblad uit en voor Suriname schreef er op 21 april 1914 over “dat de steller een diepgaande studie heeft gemaakt van de zaak en dat het hem werkelijk gelukt is, zich in te werken in de détails van een vroeger voor hem geheel vreemd bedrijf”. En toch was er een merkwaardige fout in de tekst van de verordening geslopen. Iemand die een concessie had ging er vanzelfsprekend van uit dat hij de eigenaar was van alle balata die daar werd getapt – dus, dat als er in een concessie door ‘stropers’ illegaal getapt werd, ook die balata eigendom van de concessiehouder was. De firma Curiel, concessiehouder van perceel XIX, had daarom beslag laten leggen op een partij gestroopte balata. Dat beslag werd door het gerechtshof echter afgewezen, want in de verordening stond dat de concessie recht geeft “op exploitatie van balata op den in het uitgegeven perceel gelegen domeingrond.” Het hof vond dan ook dat de concessionaris alleen eigenaar is van door hemzelf gewonnen balata! Net als in de vergelijkbare delfstoffenverordening had er moeten staan dat hij het recht had “de in of op zijn perceel gevonden balata tot zich te nemen en daarover vrijelijk te beschikken”. De balataverordening is daarna in 1920 aangepast. Met daarbij een nieuwe kaart. (In hoger beroep heeft de firma Curiel in februari 1922 uiteindelijk toch zijn eis toegewezen gekregen, De Surinamer van 23 februari 1922).

Ook in het zuiden van Suriname was de exploitatie inmiddels goed op gang gekomen. De reusachtig grote percelen daar werden een bezwaar, omdat er concessierecht betaald moest worden van 4,5 cent per ha per jaar, en dat werd veel te duur. De grote percelen zijn toen in kleinere opgedeeld, die echter nauwelijks natuurlijke grenzen hadden. De oude nummers zijn gehandhaafd, er werd eenvoudig een letter bijgeplaatst. Dat alles zien we op de in 1920 gemaakte kaart.

De ‘Balatakaart’ uit 1920

De kaart toont heel duidelijk de verschillende genummerde concessies. Omdat meestal rivieren de grenzen vormen, is het rivierpatroon heel nauwkeurig ingetekend. In enkele gevallen is wat extra informatie gegeven om een grens in het terrein te zien, zoals de monding van kreken in een grotere rivier, of een enkele keer ‘Rots met inscriptie’. Verder zijn alleen enkele grotere plaatsen ingetekend. Ondanks de kleine schaal van 1:1.000.000 konden de grenzen van de concessies op deze kaart nauwkeurig bepaald worden. De oppervlakte in hectaren is in elke concessie aangegeven.

Als er geen rivieren als grens waren, dan werden er rechte lijnen getrokken. Zoveel mogelijk is er voor gezorgd dat de punten waar deze aan een riviergrens raken in het terrein herkenbaar zijn, bijvoorbeeld de uitmonding van een kreek.

De oostgrens van percelen XXXa en b was de meridiaan vanaf een ‘Rots met inschrift’ aan de Lucie Rivier. De noordgrens was de parallel vanaf de Corantijn Rivier tegenover de Deca kreek. De grens tussen XXXa en b ligt 52 km ten noorden van de Lucie Rivier.

Of deze kaart werkelijk door de balatableeders is meegenomen op hun jaarlijkse tocht om balata te winnen lijkt niet erg waarschijnlijk. De kaart zal op het kantoor van de succiessiehouder gehangen hebben. De concessie zal overgenomen zijn op grootschalige kaarten, aan de hand waarvan de balatableeders hun instructie kregen.

 

Allard Pierson UvA, plaatsnr. HB-KZL 120.03.82. NB De kaart is verworven in 2012, en overgenomen bij een reorganisatie van de voormalige Topografische dienst.

 

 

2020-02-25T14:10:36+00:00

About the Author:

Dr. Peter van der Krogt (1956) schreef een proefschrift over de productie van aard- en hemelglobes in de Nederlanden en is de auteur van de serie Koeman’s Atlantes Neerlandici, een bibliografie van in Nederland verschenen atlassen. Hij is Jansonius-conservator en hoofd van het onderzoeksprogramma Explokart bij de Bijzondere Collecties.